Noodzakelijke investeringen breken wet
De Nederlandse infrastructuur piept, kraakt en verkeert in slechte staat, maar helaas lijkt er bij onze overheid weinig gevoel voor urgentie. Bijna iedere Nederlander weet welke problemen er spelen. Denk bijvoorbeeld aan de Merwedebrug bij Gorkum en de vernieuwing van de A16 bij de Brienenoordbrug. Net als bij de Merwedebrug, geldt inmiddels bij meerdere bruggen een vrachtwagenverbod. Projecten liggen stil en het Rijk stelt het achterstallig onderhoud verder uit.
Ook de bouw van nieuwe woningen is een knelpunt. Zo staat de bouw van 20- tot 25-duizend woningen in de polder Rijnenburg bij Utrecht op de tocht omdat het Rijk voorlopig geen geld voor de aanleg van een tramlijn naar Rijnenburg beschikbaar stelt. En dat terwijl de beschikbaarheid van passende infrastructuur, zoals goed openbaar vervoer, al jarenlang een basisvoorwaarde is om met de plannen van start te gaan.
Ook zijn forse investeringen gewenst om de netcongestie te verhelpen. Nu kan de bouw van nieuwe woningen en aansluiting van bedrijven op het net soms niet starten, omdat aansluiting op het elektriciteitsnet niet mogelijk is. Versterking van het elektriciteitsnet is daarom dringend vereist.
Problemen te over die bij besluitvorming om een daadkrachtige overheid vragen. Minister Vincent Karremans van Infrastructuur en Waterstaat stelt echter dat er door grote financiële tekorten binnen het Rijk geen ruimte is voor nieuwe infrastructuurprojecten. Bij dat standpunt kunnen vraagtekens worden geplaatst.
Nederland staat er in financieel opzicht prima voor
In financieel opzicht staat Nederland er uitstekend voor. Onze staatsschuld is laag. Met 46 procent van het bbp ligt die ruim beneden de EMU-grens van 60 procent. In slechts vijf van de laatste 36 jaar was de schuld lager. Met voorzichtig begroten is op zich natuurlijk weinig mis. Maar met zuinigheid die de wijsheid bedriegt, is dat wél het geval. Bovendien leidt overdreven zuinigheid op termijn vaak tot hogere kosten. Als subsidieverleningen worden uitgesteld, worden maatschappelijke doelen niet of tegen hogere kosten gehaald. Als bedrijven niet weten waar ze aan toe zijn, investeren ze niet, met een tegenvallende productiviteitsontwikkeling en verslechterende concurrentiepositie tot gevolg.
Een aanzienlijke meevaller is in zicht
Een aanzienlijke meevaller is in zicht. Voor de hersteloperatie van de te veel betaalde belasting in box 3 is door vorige kabinetten 16,6 miljard gereserveerd. Met het herstel van een derde deel van het probleem was slechts 1 miljard gemoeid. Een forse meevaller dus.
Nu er grote problemen moeten worden opgelost, lijkt het alleszins verstandig die meevaller te gebruiken voor investeringen die absoluut noodzakelijk zijn, in plaats voor reductie van de staatsschuld. De overheid heeft al met al nog voldoende ruimte om de problemen op te lossen. Dat er niet genoeg geld apart wordt gezet, is dus een ‘politieke keuze’.
Daadkrachtig handelen door overheid kan wel degelijk
In de nacht van zaterdag 31 januari op zondag 1 februari 1953 voltrok zich in Zeeland een watersnoodramp van ongekende omvang. De hoogste waterstand in 100 jaar werd gemeten. In het Deltagebied braken op meer dan 150 plaatsen de dijken door en liepen grote delen van de provincie Zeeland, de Zuid-Hollandse Eilanden en delen van westelijk Noord-Brabant onder water.
De overheid trad resoluut en daadkrachtig op. Direct al in 1953 werd begonnen met de wederopbouw. De rijksoverheid investeerde in 1953 zestig procent meer dan het jaar ervoor. Ook werd besloten tot instelling van de Deltacommissie en werd het Deltaplan geboren, een plan dat onder meer de afsluiting van enkele zeearmen behelsde. Binnen een jaar na de ramp ging in Zuid-Holland al de eerste schop de grond in voor de bouw van een stormvloedkering in de Hollandse IJssel. Daadkrachtig handelen door de overheid kan dus wel degelijk, maar misschien alleen als eerst het kalf verdronken is! Dit alles gaf bovendien een krachtige positieve impuls aan de Nederlandse economie. Het bruto binnenlands product groeide in het jaar van de ramp met een ongehoord hoog percentage met 8,4 procent.
Ook het beleid bij de provincies kan tot voorbeeld dienen
Provincies laten zien dat het anders kan. Zij spreiden de kosten van grote investeringen over de jaren waarin die investering wordt gebruikt. Daardoor blijft de begroting realistisch en worden investeringen niet onnodig als eenmalige financiële last gepresenteerd. Het Rijk doet dat nu anders: daar telt vooral het jaar waarin de betaling plaatsvindt, waardoor een grote investering in één keer als volledig begrotingsprobleem verschijnt. De conclusie is simpel: de rijksoverheid zou moeten gaan boekhouden zoals provincies dat al jaren doen.
Tot slot
Wanneer het huis in brand staat, is het zaak direct de brandweer bellen en met blussen te starten. Dit is het principe van ‘nood breekt wet’. Geen zinnig mens zal eerst nagaan of hij de brandweer wel kan betalen
Laten we blij zijn dat Eelco Heinen in 1953 geen minister van Financiën was. In dat geval zouden de inwoners van Zeeland wellicht jarenlang tot aan hun knieën in het water hebben gestaan. O Nederland, let op u saeck!
![]()
Bestuurslid VGOmedia