Het nemen van moeilijke beslissingen

Het nemen van beslissingen is lang niet altijd eenvoudig. Soms lijkt het zelfs of je het nooit goed kunt doen. Enerzijds is er de strikt juridische benadering (klopt het wettelijk gezien allemaal wel), en anderzijds kan bij de beoordeling van een genomen beslissing rechtvaardigheid als perspectief en vertrekpunt worden genomen.

Hierna volgen vijf dilemma’s waarover de geschiedenis vermoedelijk pas op langere termijn een definitief oordeel zal vellen. Van die vijf voorbeelden hebben er drie betrekking op pensioenen.

1. KNIL-militairen in Japanse kampen

Het eerste voorbeeld ontleen ik aan mijn familie. Een oom heeft in Nederlands-Indië gedurende een kleine vijf jaar als krijgsgevangene in een Japans kamp gezeten. Na de bevrijding is het loon over de jaren van gevangenschap nooit uitbetaald. Voormalige KNIL-militairen en hun nabestaanden claimden decennialang tevergeefs achterstallig loon over de periode van de Japanse bezetting. De Nederlandse staat weigerde een structurele betaling. De Hoge Raad stelde in 1956 dat deze financiële verplichtingen na de soevereiniteitsoverdracht bij Indonesië lagen. Tot aan het moment van zijn overlijden is dat onrecht bij mijn oom blijven knagen en dat maakte hem bitter. Gaat de geschiedenis hem postuum nog eens gelijk geven?

2. Commotie rond sociale huurwoningen.

Het tweede voorbeeld speelde zeer recent. Begin dit jaar ontstond commotie toen duidelijk werd dat zo’n tien- tot twaalfduizend sociale huurwoningen in Nederland worden bewoond door mensen die tevens eigenaar zijn van één of meerdere andere woningen.
De vraag dringt zich op of dat nog wel te rijmen valt met een ‘passend gebruik’ van de schaarse sociale woningvoorraad. Nederland heeft immers een chronisch tekort aan betaalbare huurwoningen. Woningcorporaties en de rijksoverheid proberen per jaar dertigduizend sociale huurwoningen te bouwen, maar blijven al jaren steken rond de zeventienduizendstuks. De twaalfduizend sociale huurwoningen van de woningeigenaren zijn zo bezien een enorm aantal.

Eigenaren van koopwoningen verdienen in het algemeen veel meer dan de doorsnee sociale huurder. Zo verdient de helft van de sociale huurders nu te veel om in aanmerking te komen voor een sociale huurwoning, maar hun inkomen was wel laag genoeg op het moment dat ze gingen huren.

Omdat persoonlijke financiële omstandigheden nu eenmaal drastisch kunnen wijzigen, kan het natuurlijk gebeuren dat de financiële positie van iemand die in een sociale huurwoning woont snel en aanmerkelijk verbetert. Denk aan erfenissen, succesvol ondernemen of het maken van carrière. Wanneer dat vervolgens leidt tot vermogensopbouw, kan het aldus gevormde vermogen door de sociale huurder niet alleen worden aangehouden op bankrekeningen, maar ook in de vorm van aandelen en vastgoed. Op zich mag de wijze waarop vermogen wordt aangehouden uiteraard niet uitmaken. De kernvraag is of vermogenden überhaupt wel in een sociale huurwoning zouden mogen blijven wonen en of het wonen in een sociale huurwoning dus niet ook structureel gekoppeld zou moeten worden aan een maximum inkomen.

Onderzoekers van het Centraal Planbureau melden dat niet alle huurders met een koopwoning zomaar uit hun huurhuis gezet kunnen worden. Het huurrecht speelt ook een rol. Aan ‘scheefwonen’ is kennelijk dus niet zo snel een einde te maken. Juridisch zal het dus wel kloppen. Het gezonde verstand koerst echter veelal op het kompas van rechtvaardigheid. Het oordeel zal dan al snel zijn dat ‘scheefwonen’ juridisch gezien – dus volgens de regels – wellicht mogelijk is, maar dat dit wringt met het rechtvaardigheidsgevoel.

3. Uit de historie van PNO Media

Het eerste voorbeeld uit de pensioenwereld heeft betrekking op ons eigen PNO Media, toen nog Personeelfonds Nederlandse Omroep geheten. Ongeveer 10 jaar voordat ik in 1979 bij PNO Media in dienst trad, was door de commissie Nierstrasz geconstateerd dat de salarissen bij de omroeporkesten achterliepen ten opzichte van de sector. Er volgde op dat moment een eenmalige salarisverhoging van circa 10 procent. Er was destijds nog sprake van een eindloonpensioenregeling, zodat wie net na de extra salarisverhoging met pensioen ging, tien procent meer pensioen ontving dan degenen die een maand eerder met pensioen waren gegaan. Op basis van het pensioenreglement klopte het helemaal, maar betrokkenen dachten daar anders over. Tien jaar later werd daar door ‘gedupeerden’ nog steeds over geklaagd. Inmiddels klaagt er vrijwel niemand meer, logisch…

4. Greep in de kas bij het ABP

Het tweede voorbeeld uit de pensioenwereld betreft de greep in de kas van het ABP door het kabinet Lubbers in het kader van de brede herwaardering. Dat was een omstreden operatie waarbij het Rijk tientallen miljarden guldens aan de vermeende overtollige reserves van het ambtenarenpensioenfonds (ABP) onttrok. Het Rijk, als werkgever, verlaagde de premiebetalingen om eigen budgettaire tekorten te dekken, wat leidde tot aantasting van het pensioenvermogen. Het Rijk stopte met het betalen van de volledige pensioenpremie en eigende zich naar verluidt 15 tot 30 miljard gulden toe, waaronder een groot deel van het vermogen voor bovenwettelijke invaliditeitspensioenen. De actie werd ervaren als het wegnemen van gereserveerd pensioengeld, wat leidde tot jarenlange frustratie over het beheer van het pensioenfonds.
Die historische ingreep liet diepe sporen na in het vertrouwen van ambtenaren in de overheid. Ja, juridisch klopte het wel, maar het rechtvaardigheidsgevoel oordeelde anders.

5. Invaren en indexatieachterstanden

Het derde voorbeeld uit de pensioenwereld is het meest actueel en gaat over invaren en indexatieachterstanden. Bijna 15 jaar heeft de discussie over de invoering van het nieuwe pensioenstelsel geduurd. Niemand kan dus beweren dat de politiek bij de besluitvorming lichtvaardig over één nacht ijs is gegaan.

Een belangrijke voorwaarde bij de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel is dat deze evenwichtig is en zonder ‘onevenredig’ nadeel voor groepen van belanghebbenden plaatsvindt. Kijkend naar de resultaten, zien we dat er compromissen zijn gesloten. Op een aantal punten was het voor alle belanghebbenden een kwestie van geven en nemen. Het belangrijkste punt waarover de meningen nog steeds uiteenlopen is de wijze van verdeling van de buffers over jong en oud en dan met name hoe daarbij met indexatieachterstanden moet worden omgegaan.

In veel pensioenreglementen is een voorwaardelijk recht op inhaalindexatie opgenomen. Naarmate fondsen er beter voorstaan, en de dekkingsgraad hoger is, kan dan inhaalindexatie plaatsvinden. Bij de invoering van het nieuwe pensioenstelsel komt het voorwaardelijke recht op indexatie grotendeels te vervallen, terwijl er bijvoorbeeld wél compensatie voor de afschaffing van de doorsneesystematiek uit het vermogen wordt gebruikt voor de actieven in een pensioenfonds. Een flinke groep gepensioneerden vindt dit onevenwichtig en ervaart dit als een vorm van diefstal. Juridisch gezien mag deze wijze van invaren wel, maar het voelt onrechtvaardig. Klagers hebben overigens alle op dit punt gevoerde procedures verloren.

Conclusie

Er bestaat al met al een duidelijk spanningsveld tussen enerzijds het gevoel van rechtvaardigheid en anderzijds de juridische afweging van ‘kloppen en deugen’. Het zou mij niet verbazen dat het nog tientallen jaren kan duren, voordat er over de wijze van invaren echt sprake van acceptatie zal zijn. Zoals het bekende spreekwoord zegt heelt de tijd vele wonden, maar niet alle wonden. Indien beslissingen – na soms tientallen jaren – nog steeds als onrechtvaardig worden beleefd, is dat een indicatie dat een dergelijke beslissing minder evenwichtig dan wenselijk is geweest. De toekomst zal het ons leren.


Bestuurslid VGO Media
Anton de Bekker deelt in zijn maandelijkse column zijn persoonlijke visie over actuele pensioenonderwerpen.