Niets is zeker
(en zelfs dat niet!)
Het belang van een goed beleggingsbeleid
Om deelnemers een goede oudedagsvoorziening te kunnen bieden, is een beleggingsbeleid gewenst dat uitzicht geeft op indexatie van onze pensioenen. Het accepteren van beleggingsrisico’s is daarbij onvermijdelijk. Slechts één derde deel van het pensioen dat wij ontvangen, bestaat uit de eerder voor en door ons betaalde pensioenpremies, en de rest uit gerealiseerde beleggingsopbrengsten.
Onvoldoende beleggingsrisico nemen leidt tot relatief lage beleggingsopbrengsten en daarmee tot een ontoereikende indexatie. Te veel risico nemen kan op korte termijn leiden tot vermogensverliezen en daarmee, bij onvoldoende buffers, ook tot pensioenverlagingen. Dat onderstreept het belang van het voeren van een evenwichtig beleggingsbeleid.
Risicohouding deelnemers
Het beleggingsbeleid van een pensioenfonds wordt vormgegeven door het bestuur van het fonds. Daarbij moet het bestuur rekening houden met de gemeten risicopreferentie van de deelnemers en de daaruit afgeleide risicohouding.
Voor pensioenuitvoerders in het nieuwe pensioenstelsel is het verplicht om met een risicopreferentieonderzoek (RPO) de risicobereidheid van deelnemers te onderzoeken. Daarbij wordt vastgesteld hoeveel risico deelnemers ‘willen’ lopen. Daarnaast wordt gekeken naar het risicodraagvlak, oftewel de mate waarin deelnemers risico’s ‘kunnen’ dragen. Op basis van deze onderzoeksresultaten stelt het pensioenfonds de risicohouding vast. Daarbij worden de uitkomsten van het RPO gecombineerd met deelnemerskenmerken (zoals actieven, slapers en gepensioneerden en de bereikte leeftijden). De vastgestelde risicohouding vormt vervolgens het uitgangspunt voor het te toetsen beleggingsbeleid.
Maatstaven
DNB ziet toe op het gehele proces van totstandkoming van het beleggingsbeleid en stelt daarbij voorwaarden. Dat gebeurt door het hanteren van wettelijke maatstaven, zoals de risicomaatstaf en de verwachtingsmaatstaf.
Bij de risicomaatstaf moeten pensioenfondsen laten zien hoeveel het pensioen kan dalen als het economisch tegenzit, en of dat nog wel acceptabel is gegeven de risicobereidheid en het risicodraagvlak.
Bij de verwachtingsmaatstaf wordt vastgesteld of het gekozen beleggingsbeleid naar verwachting méér pensioen oplevert dan een volledig veilige, bijna risicoloze aanpak. Bij het hanteren van de verwachtingsmaatstaf wordt een balans gezocht tussen een zo hoog mogelijk verwacht pensioen en de zekerheid van dat pensioen.
Wijze van onderzoek naar de risicohouding
De manier waarop het onderzoek naar de risicohouding van de deelnemers is ingericht, heeft veel invloed op het resultaat. Een dergelijk onderzoek is dan ook verre van eenvoudig. Wanneer de juiste vragen niet worden gesteld, is het maar de vraag of er echt inzicht wordt verkregen in de risicohouding van de deelnemers. De enkele jaren terug uitgevoerde onderzoeken waren vooral nominaal ingestoken. Meestal werd via vragen – met schuifjes bij de antwoorden – gevraagd naar de beleggingsmix die de voorkeur van de deelnemer geniet. Inflatie en koopkracht kwamen in deze vragen niet aan de orde. Twijfel of de juiste vragen wel zijn gesteld, is dus al met al op zijn plaats.
Het per deelgroep en per leeftijd vaststellen van de risicopreferentie is een haast onmogelijke opdracht. Het is het zoeken naar het optimale pad voor een collectiviteit. Dat is een arbitraire keuze die de voorkeuren van sommige deelnemers systematisch negeert ten gunste van anderen. Voorkeuren van deelnemers verschillen namelijk nogal.
Niet iedereen in dezelfde leeftijdsgroep, of bijvoorbeeld de groep gepensioneerden, heeft namelijk dezelfde risicopreferentie. Het risicopreferentieonderzoek (RPO) binnen de pensioenwet leidt tot een schijn van wetenschappelijke legitimiteit, zonder dat dit echte tegenstellingen tussen groepen deelnemers overbrugt.
Het eenmaal vastgestelde beleggingsbeleid moet jaarlijks worden getoetst aan de risicohouding van de deelnemers. Dat is lastig, omdat de uitkomsten nogal gevoelig zijn voor de daarbij door de DNB voorgeschreven economische scenario’s en de marktrente. Behalve de jaarlijkse toetsing moet er bij solidaire contracten minimaal eens per vijf jaar een evaluatie plaats vinden.
Nominaal is iets anders dan risicoloos
Het nieuwe pensioenstelsel is erop gericht de kans op verlaging van pensioenen zo klein mogelijk te maken. Dat zegt echter niets over het verlies van koopkracht van ons pensioen als gevolg van inflatie. Nominale zekerheid is duidelijk iets anders dan risicoloos! Na het invaren per 1 januari 2027 in het nieuwe pensioenstelsel is het daarom gewenst zo snel mogelijk een nieuw risicopreferentieonderzoek te houden, maar dan wel een onderzoek waarbij de juiste vragen worden gesteld en er voldoende aandacht aan inflatie en koopkracht wordt besteed, zodat het beleggingsbeleid en de toedelingsregels zo veel als mogelijk ook een koopkrachtig pensioen ondersteunen.
![]()
Bestuurslid VGOmedia