(eerste signalen stemmen positief)

Verdeling van het overschot aan vermogen, het zogenaamde surplus, bij transitie naar het nieuwe stelsel

Hoe groot het belang is van de verdeling van het surplus, hangt af van de financiële positie van PNO Media op het moment waarop het fonds overstapt naar het nieuwe pensioenstelsel. Hoe hoger de dekkingsgraad, hoe meer er te verdelen valt. Eerst moet worden vastgesteld hoeveel surplus er eigenlijk te verdelen valt.

Vier bestemmingen gaan voor

Niet alles boven de 100 procent komt in aanmerking voor toedeling aan de actieve deelnemers, de slapers (oud-deelnemers) en gepensioneerden. Eerst moeten de wettelijke reserves zoals het Minimaal Vereist Eigen Vermogen (MVEV) en Reserve Operationele Kosten (ROK) worden gevuld. Ook is er geld nodig om de Solidariteitsreserve (SR) te vormen. We horen ook geluiden dat een deel van het vermogen wordt ingezet om de afschaffing van de doorsneepremie te compenseren. De wet laat toe om dat uit het pensioenvermogen te halen, maar dat kan ook worden gefinancierd via een tijdelijke opslag op toekomstige pensioenpremies.
Als dat allemaal is geregeld, kan de rest worden verdeeld. Dan komt ook het helemaal of deels inhalen van de indexatieachterstand, zowel voor de actieven als de gepensioneerden, in beeld.

Eerlijke methode van verdeling

Een methode om het surplus eerlijk te verdelen is dat evenredig aan ieders aandeel in het vermogen te doen, een pro rata verdeling dus. Bij een te verdelen surplus van 10 procent zou dat betekenen dat voor iedereen het al opgebouwde pensioen met 10 procent kan worden verhoogd.
De Pensioenwet gaat echter uit van een spreiding over tien jaar. Als dat laatste tot onevenwichtige uitkomsten zou leiden, mag een fonds daarvan wel afwijken.
Om misverstanden te voorkomen: de spreiding betreft alleen de rekenmethodiek om ieders aandeel in het surplus vast te stellen. Als dat eenmaal is gedaan, wordt er bij het invaren éénmalig en direct afgerekend.

Langjarige spreiding bij verdeling surplus onevenwichtig

Hoe langer de periode waarover de verdeling van het vermogenssurplus wordt gespreid, hoe nadeliger dat uitpakt voor oudere gepensioneerden. Dat maakt de standaardmethode erg onevenwichtig. Ik geef een voorbeeld.

Voorbeeld

We gaan uit van een te verdelen surplus van 10 procent, en kijken hoe spreiding over tien jaar uitpakt voor drie deelnemers van 55, 65 en 98 jaar oud, die alle drie 10-duizend euro per jaar pensioen krijgen. In die situatie stijgt het pensioen van de 98-jarige – die naar verwachting nog maar kort zal leven – met ongeveer 1 procent tot 10.100 euro, het pensioen van de 65-jarige stijgt met ongeveer 10 procent tot 11.000 euro en dat van de 55-jarige stijgt met ongeveer 12 procent tot 11.200 euro. Een spreidingsperiode van 10 jaar werkt dus erg in het nadeel van oudere gepensioneerden. Je zou dat zelfs leeftijdsdiscriminatie kunnen noemen.

Argumenten die pleiten voor een pro rata verdeling

Bij de verdeling van het surplus moet worden meegenomen dat dit voor een groot deel is ontstaan door pensioenen in het verleden niet of maar beperkt te indexeren.

Als er geld genoeg is om de indexatieachterstand geheel ongedaan te maken, hebben de werkenden en slapers van het niet of maar gedeeltelijk indexeren helemaal geen last. Als ze met pensioen gaan is de schade voor hen immers gerepareerd. De enige groep die echt schade door het niet of gedeeltelijk indexeren heeft geleden, zijn de gepensioneerden. Zij hebben echt geld gemist. Het pensioen wordt wellicht verhoogd, maar er wordt zeker niet nabetaald.

Het zou daarom bijzonder wrang zijn als gepensioneerden, die het meest aan de vorming van het surplus hebben bijgedragen, bij de verdeling van dat surplus achter in de rij zouden moeten aansluiten. Dat pleit dus voor een pro rata verdeling.

Voortekenen over besluitvorming bij PNO Media zijn positief

Voor een aantal grote pensioenfondsen (Bouw, Zorg en Welzijn en KLM) was het streven naar een evenwichtige verdeling de reden om bij de verdeling geen of maar een beperkte spreidingsperiode te hanteren. Bij KLM vroegen de sociale partners bijvoorbeeld aan het fondsbestuur om met een voorstel te komen om de spreidingsperiode van 10 jaar aan te passen, om het voordeel van ouderen meer in lijn te brengen met dat van jongeren. Het pensioenfonds mag daarover beslissen.

Hoewel het hoorrecht bij PNO Media nog moet worden ingevuld, is PNO Media al wel gestart met een informatieuitwisseling met VGOmedia. Ook de sociale partners waren daarbij betrokken. Die start is zonder meer als positief ervaren. Er is duidelijk sprake van een constructieve dialoog, waarbij de mogelijkheid wordt onderzocht het surplus zonder spreiding aan alle actieven, slapers en gepensioneerden pro rata toe te delen. Ook is er duidelijk de intentie om het pensioen een reëel karakter te geven. Dat betekent weliswaar geen garantie op koopkrachtbehoud van jaar op jaar, maar wel uitzicht op een pensioen dat in een gemiddeld scenario op langere termijn de prijsinflatie bijhoudt.

Tot slot

De eerste stap is gezet. VGOmedia wacht de eerste concept-transitieplannen af, maar kijkt met vertrouwen naar de concrete verdere invulling van het hoorrecht.


Bestuurslid VGO Media
Anton de Bekker deelt in zijn maandelijkse column zijn persoonlijke visie over actuele pensioenonderwerpen.