Ditmaal vraag ik aandacht voor het langlevenrisico. In een pensioenfonds staan alle deelnemers bloot aan het langlevenrisico. Daarvan zijn er twee types, namelijk het micro en het macro langlevenrisico.

Micro langlevenrisico

Niet alle deelnemers worden even oud. Sommige deelnemers sterven jong en genieten helaas maar kort van hun pensioen. Maar er zijn ook gepensioneerden die lang van hun pensioen genieten en soms wel 100 jaar of ouder worden.
Binnen een pensioenfonds delen deelnemers met elkaar het risico dat ze langer leven dan het pensioenfonds in haar berekeningen verwacht. Als er in een kalenderjaar net zoveel deelnemers overlijden als verwacht, lijdt een pensioenfonds en dus ook de deelnemers geen verlies. Overlijden er minder deelnemers dan verwacht, dan lijdt het pensioenfonds verlies. Dit type langlevenrisico wordt het micro langlevenrisico genoemd.

Dat risico wordt in principe door het collectief gedragen. Omdat bij een klein pensioenfonds het werkelijk aantal sterfgevallen in een jaar fors kan afwijken van het verwachte aantal sterfgevallen, kan zo’n pensioenfonds zich hiervoor eventueel herverzekeren bij een verzekeraar. Bij grotere pensioenfondsen zoals PNO Media zijn de afwijkingen minder. Zij kunnen dit risico zelf dragen en verliezen of winsten uit het vermogen betalen of eraan toevoegen.

Macro langlevenrisico

Het macro langlevenrisico is het risico dat deelnemers en gepensioneerden gemiddeld steeds ouder worden dan waar pensioenfondsen in hun berekeningen mee rekening hebben gehouden. Dat is – en daar mogen wij natuurlijk blij mee zijn – al tientallen jaren zo. Een zekere stijging van de levensverwachting is al ingecalculeerd. Alleen als de deelnemers structureel gemiddeld langer gaan leven dan vooraf was aangenomen, lijdt een pensioenfonds verlies op het macro langlevenrisico.

Om de paar jaar (meestal 2 jaar) worden de sterftetafels waarmee actuarissen rekenen door het Koninklijk Actuarieel Genootschap opnieuw vastgesteld. De ervaring leert dat pensioenfondsen het vermogen dat ze ‘in kas’ moeten hebben om de pensioenverplichtingen te kunnen nakomen dan gemiddeld met een kwart tot een half procent per jaar sinds de vorige berekening moeten verhogen.

De prijs van langer leven

Aan het langer leven en pensioen uitkeren hangt uiteraard een prijskaartje. Wanneer de pensioenverplichtingen extra stijgen, gaat dat meestal ten koste van de dekkingsgraad. Aan de andere kant stijgt de dekkingsgraad – en kunnen pensioenen worden verhoogd – wanneer we gemiddeld korter leven.

Wet Toekomst Pensioenen en het macro langlevenrisico

In de nieuwe pensioenwet is de mogelijkheid gecreëerd om, net als in het oude stelsel, het macro langlevenrisico tussen de generaties te delen. Vooraf kunnen afspraken worden gemaakt over de toedelingsregels. In het solidaire contract kan een pensioenfonds dat bijvoorbeeld delen via de solidariteitsreserve. Dat lijkt een sympathiek voorstel waardoor de lasten van het gemiddeld langer leven dan de verwachting niet of minder, ten koste gaan van de pensioenen die al worden uitbetaald. Met name voor gepensioneerden zou dat van belang kunnen zijn, zo was ongetwijfeld de gedachte.

De werkelijkheid is helaas gecompliceerder

Door de aanhoudende daling van de sterftekansen neemt vooral de levensverwachting van de jongeren sterker toe dan die van de ouderen of gepensioneerden; en dat is hun overigens van harte gegund. Daardoor neemt echter ook de hoogte van hun pensioenverplichtingen procentueel meer toe dan die voor gepensioneerden. Bij de laatste herziening van de sterftekansen in 2022 namen de pensioenverplichtingen van jonge pensioenfondsen gemiddeld toe met 0,7% voor mannen en met 0,9% voor vrouwen.

Voor oudere pensioenfondsen namen de pensioenverplichtingen minder toe, namelijk met 0,5% voor mannen en met 0,6% voor vrouwen. Wanneer wij inzoomen op alleen ouderdomspensioenen voor 65-jarige mannen, dan bedroeg de toename van de pensioenverplichtingen in het jaar 2022 slechts 0,3%. Jongeren profiteren dus relatief meer bij het delen van het macro langlevenrisico dan ouderen of gepensioneerden. Als gevolg van het delen van dat risico zouden ingegane pensioenen zelfs minder stabiel kunnen worden.

Herziening sterfteverwachtingen in augustus/september 2024

Over iets meer dan een halfjaar worden de sterftekansen herzien. Er moet dan wel van een heel bijzondere ontwikkeling sprake zijn als de pensioenverplichtingen voor jongeren dan opnieuw niet harder stijgen dan die voor ouderen.

Conclusie

Het micro langlevenrisico kan doorgaans binnen een pensioenfonds goed worden gedeeld of herverzekerd. Voor het macro langlevenrisico geldt dit doorgaans niet. Het gemiddeld langer leven dan in de berekeningsgrondslagen voor de pensioenverplichtingen en premie is aangenomen, leidt namelijk tot extra kosten voor het fonds. Het delen van die kosten door die ten laste van de solidariteitsreserve te brengen klinkt logisch en sympathiek, maar leidt met een grote mate van zekerheid tot een structurele herverdeling van oud naar jong.

Bij een keuze voor de solidaire pensioenregeling kiezen vermoedelijk nagenoeg alle pensioenfondsen voor een beleid waarbij de risico’s van de ingegane pensioenen collectief door die groep worden gedeeld. Alle ingegane pensioenen worden dan jaarlijks met eenzelfde percentage aangepast. Ook dat is herverdeling, maar dat lijkt acceptabel. Binnen de groep gepensioneerden worden ook kosten en rendement met elkaar gedeeld.

Bij het delen van het macro langlevenrisico tussen alle generaties dragen de gepensioneerden bij een steeds boven verwachting toenemende levensverwachting uiteindelijk structureel het hogere macro langlevenrisico van de jongeren in plaats van andersom. Dat kan toch niet de bedoeling zijn.


Bestuurslid VGO Media
Anton de Bekker deelt in zijn maandelijkse column zijn persoonlijke visie over actuele pensioenonderwerpen.